Ga naar submenu Ga naar zoekveld

Vrijwilliger Rob Timmerman is geraakt door overlevende vluchtelingen: 'Hoe kunnen verschrikkelijk leed èn rotsvast geloof zo samengaan?’

20 juni 2022 · Leestijd 6 min

Vluchtelingenvrijwilliger Rob Timmerman maakt een intense reddingsactie op zee mee. Voor sommigen komt de hulp te laat: 17 mensen verdrinken. Aan boord beleeft Rob een bijzonder moment met overlevenden, waarbij rouw èn rotsvast geloof samenkomen.

Ik ben vrijwilliger voor de Duitse reddingsorganisatie SeaWatch. We zetten ons in op de Centrale Middellandse Zee waar afgelopen jaren meer dan 20.000 migranten en vluchtelingen verdronken in een wanhopige poging Libië te onvluchten en de veiligheidheid van Europa te bereiken. Op 8 en 9 april j.l. redden we met ons team in totaal 211 kinderen, vrouwen en mannen van de verdrinkingsdood. Onder hen waren twee hoogzwangere vrouwen en een jongetje van 2 jaar. 20 gasten blijken ernstige brandstofwonden te hebben, zijn onderkoeld of hebben zoveel zout water in hun longen dat de artsen aan boord dagenlang vrezen voor hun leven. Vijf patiënten zijn er zo erg aan toe dat zij met een helikopter en een reddingsboot bij Lampedusa van boord gehaald moeten worden.

De kleur van rouw

Van de vijf boten die we te hulp zijn geschoten, zal me er eentje voor altijd bij blijven. 

In de vroege middag van 9 april krijgen we een Mayday-call van een drone die melding maakt van een gezonken rubberboot en ‘about 50 people in the water’. Een half uur later zijn we ter plaatse. We treffen een chaos van schreeuwende mensen, kleding en een dubbelgeklapte rubberboot. In de minuten die volgen weten we 33 mensen, de meesten zwaar onderkoeld en uitgeput, uit de golven. Voor de andere 17 komt onze uitgestoken hand te laat. Het laatste slachtoffer valt vlak voor de boeg van onze motorboot. Het ene moment is er wanhopig gespartel van armen in het water, het volgende moment is de zee zo glad als een spiegel. 

Voor 17 mensen komt onze uitgestoken hand te laat.

De wereld lijkt stil te staan als we muisstil rondvaren op de plek waar we het laatste levensteken gezien hebben. We staren in de blauwe diepte. Bij elke schaduw opschrikkend: is dat iets? In gedachten zie ik het lichaam van deze man of vrouw de diepte in zweven. De bodem vol gezonken boten, gedumpte buitenboordmotoren en de zielen van de 20.000 levens die deze man of vrouw voorgingen. Ik zie de emoties bij mijn crew: stil, witte bekkies en lege blikken.

Elke ‘boot’ krijgt een ziekenhuis-armbandje in een eigen kleur, zodat we de verschillende groepen aan dek uit elkaar kunnen houden. De 33 van de gezonken boot dragen een paars armbandje. De kleur van rouw, bedenk ik pas later. 

In de week die volgt hebben we meer dan tweehonderd gasten aan dek. Er is opluchting en blijdschap bij de mannen en vrouwen: we leven nog! Maar ook is er rouw… 

‘Laten we danken’

Het is 9 april, de schemer valt in. Windkracht 6. Het schip deint op de langgerekte schuimkoppen van de Middellandse Zee. De horizon speelt verstoppertje achter metershoge grijze golven. 

Terwijl binnen de vloer van het ziekenhuisje vol ligt met patiënten en de artsen met moeite van de ene naar de andere patiënt klauteren, gebeurt er buiten aan dek iets wonderbaarlijks.

De beide reddingsboten zijn aan boord van het moederschip gehesen en ik maak een ronde aan dek om kennis te maken met de ‘paarse’ groep. Ik ben blij om gezichten te herkennen van mensen die we even daarvoor meer dood dan levend uit de golven hebben getrokken. Een vrouw pakt mijn handen vast en deelt van haar wanhoop. ‘De boot zakte weg onder mijn voeten. Ik dacht: dit is het einde. Ik ga sterven.’ Een wat oudere man weet het zeker: ‘Jullie redders gaan naar de hemel.’ Ik weet me niet zo goed een houding te geven. 

U heeft ons niet in de steek gelaten.

Dan staat een jonge man op. Een kruisje om zijn nek. Hij moet even wennen aan de deining van het schip op de golven. Grote vriendelijke ogen, een geel verweerd trainingsjack, kort haar, de witte zoutkristallen schitteren op zijn zwarte huid. Hij richt zich tot de mensen om hem heen. ‘Als je kunt staan, kom er dan bij,’ Een jonge vrouw staat op, maar gaat direct weer liggen. Als vijf mensen staan, zich vastklampend aan elkaar en de tentconstructie, neemt de man het woord. ‘Dank U, Vader, voor wie U bent: een God van liefde en trouw.’ Een vrouw op het dek mompelt instemmend. ‘U heeft ons niet in de steek gelaten. U heeft onze gebeden gehoord en verhoord. Toen we dachten dat alles voorbij was, stuurde U hulp.’ 

Meer mensen staan op. Voorzichtig. Onvast op hun benen. We houden elkaar vast. Het t-shirt van de man naast me is nat en ruikt naar wanhoop. Ik sluit mijn ogen. 

'U kent hun namen'

De man in het geel vervolgt: ‘Laten we stil zijn. Stil voor onze zussen en broers die niet meer bij ons zijn. Onze zussen en broers, vrienden met wie wij samen reisden, die vandaag in de golven stierven. Wij missen hen. En onze harten doen pijn. Maar U kent hun namen. U bent hen niet vergeten. Vanavond zijn zij veilig in uw armen. Dank U voor uw liefde, dank U voor uw trouw.’

Het is stil. De schouders van mijn buurman schokken. In mijn hoofd vechten duizend gedachten om voorrang. 

‘Hoe kan dit gemeenschapje van christenen God danken op dit moment? Met het zout van de zee nog op hun huid. De tranen voor hun dierbaren die ze voor hun ogen hebben zien verdrinken op hun wangen. En een toekomst zo onzeker dat ik er niet eens aan wil denken.’ 

‘Hoe kunnen wanhoop en hoop, rouw en dankbaarheid, verschrikkelijk leed èn rotsvast geloof zo samengaan?’ 

‘Wat als ik onze reddingscirkel groter had gemaakt, stonden we dan nu 16 en niet 17 verloren levens te herdenken?’  

‘Jezus is hier. Hier aan dek. Bij dit samenraapsel van gebroken zielen en bij dit samengeraapte groepje vrijwilligers van over de hele wereld.’ 

Gebroken lied

Een schorre zangstem doorbreekt de stilte. Anderen vallen bij. Het gebroken lied komt langzaam op gang. Een vrouw helpt haar zus op te staan. In de verte herken ik iets van een Psalm. Een jongetje wordt wakker en kruipt onder zijn grijze deken vandaan. Grote slaapogen en een voorzichtige glimlach. Hij gaat staan en begint op het ritme te klappen. Het gezang waait als een warme wind over het dek, over de verkleumde lijven, over de door zon en zout uitgebeten gezichten. Een krachtige vrouwenstem neemt de voorzang over. De groep volgt. Een man staat op. Een meisje volgt. Wie zijn handen niet nodig heeft om overeind te blijven, steekt deze op naar de hemel. ‘Thank you, Lord!’

Foto: Michel Kekule

Geschreven door

Rob Timmerman

Misschien ook wat voor jou

Lazarus Nieuwsbrief

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en ontvang wekelijks de laatste blogs en artikelen van Lazarus Magazine

E-mailadres

Lees ook onze privacyverklaring.